Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

Huisvesting

Terug

Een perk kan je inrichten met vijvers en planten en gras. Planten geven de dieren een gevoel van in een natuurlijke omgeving te zijn. Zorg ook voor wintergroene planten zodat ze in de winter ook nog iets hebben. Ze zorgen bovendien voor schaduw en beschermen tegen wind. Een ander belangrijke zaak is een hok of afdakjes, dit om de dieren een kans te beiden om tijdens hevige weersomstandigheden te schuilen. Eenden moeten uiteraard ook nestmogelijkheden hebben in hun perk.

Ik houd mijn eenden op een groot grasperk met vijvertje en  nachthok (dit wordt, "zoals mij wordt verteld " bijna nooit gebruikt, enkel bij zeer koud weer in de winter durven bepaalde soorten zoals de roodschoudertalingen hier wat beschutting zoeken). Het perk is volledig omsloten. Langs één zijde met Coniferen met gaas, langs de andere zijdes met een haag en gaas. Ik moet nog wel wat boompjes en planten plaatsen om het geheel wat natuurlijker te laten lijken - Klik hier voor foto's

Nestmogelijkheden:

Om ervoor te zorgen dat eenden gaan leggen en broeden moeten er nestplaatsen voorzien worden. De soort nestplaats is afhankelijk van de soort. Zo zijn er eenden die graag op wat hoogte broeden of eenden die graag tussen dichte beplanting broeden en eenden die graag in nestkasten op de grond broeden.

Watervogels zijn echte natuurdieren en stellen geen hoge eisen aan de huisvesting. Een echt hok hebben ze niet nodig. Een laag bouwsel met drie zijwanden en een eenvoudig dak is bij zeer slecht weer al voldoende. De open zijde moet dan van de wind afstaan. Bij zeer strenge vorst kan het nodig zijn de dieren in een hok of schuur, voorzien van een dikke laag droog strooisel, onder te brengen. Ook zijn er soorten oorspronkelijke watervogels die vanuit hun natuurlijke biotoop niet in staat zijn hun poten vorstvrij te houden. Zij hebben altijd blijvend (ook bij strenge vorst) open water en/of een droog hok met dik strooisel nodig om bevriezing te voorkomen.

Wat alle eenden het liefst hebben om te broeden is een plaatsje zo kort mogelijk bij de vijver. Dit geeft niet alleen een gevoel van veiligheid maar het is ook handig wanneer de eend even wat wil gaan zwemmen niet te ver verwijderd van haar nest. Een nestkast dat naar het oosten is gericht hebben de eenden graag, omdat een eend de vroege ochtendzon wel weet te appreciëren. Maar men dient er rekening mee te houden is dat de nestkast niet pal in de zon staat. Op een warme zomerdag kunnen de temperaturen dan wel ééns heel hoog oplopen, en te warm is ook niet goed. Daarom is het goed om de nestkast te plaatsen zodat ze ook wat in de schaduw staat. Afhankelijk of het al dan niet grondbroeders zijn kun je ook een melkkan of iets dergelijks neerleggen of gewoon een nestkast op de grond plaatsen. Zorg best voor wat stro of houtvezel, ze zullen vanzelf ook bladeren en dons in het nest leggen. 

Nestkastjes :

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

Kweken met siereendjes betekent dat je ook nestkasten nodig hebt, de meeste soorten die ik wil gaan houden zijn holenbroeders die in de natuur hoog in de bomen nestelen. Ik wil verschillende modellen gaan gebruiken, zowel in beton als in hout zodat ze kunnen kiezen. Als onderlaag wil ik steeds houtvezel gaan gebruiken, de eenden zullen dit mengen met dons om hun eieren goed warm te houden. Klik hier voor bouwtekening van nestkastje

De Vijver:
Water is de belangrijkste levensbehoefte watervogels. Het is niet alleen als drinkwater bedoeld, maar juist ook schoon en fris zwemwater, het gehele jaar door. Daarom is een vijver voor watervogels een "must"! De diepte van de vijver dient minimaal 80 cm te zijn voor zwanen, 60 cm voor  duik- en zee eenden en 35 cm voor de overige eenden en ganzen.

De grootte van de vijver en de omgeving is afhankelijk van het aantal en soorten watervogels die men gaat houden. Op 2 m2 vijver en een stukje gras van ca 5 m2 kan men al een paartje eenden houden, maar dat wil niet zeggen dat men op het dubbele oppervlak twee verschillende paartjes kan houden. Dat hangt sterk af van de soort watervogels en het gedrag. Ganzen hebben meer ruimte nodig. Eén paar  ganzen heeft een vijver van ongeveer 5 m2 nodig, maar het stukje grasland daarbij dient wel minstens zo’n 100 tot 200 m2 groot te zijn. Zwanen zijn zwemmers en slechte lopers, dus een vijver van zo’n 25 tot 50 m2 is zeker nodig. Zwanen moeten altijd per koppel apart gehouden worden. Het best is voor ieder paar een aparte vijver.

Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player


Om de vijver het gehele jaar door te voorzien van water is een pomp nodig die er vers water in pomt. Vaak wordt bronwater gebruikt wanneer dat beschikbaar is. De pomp heeft diverse functies: het water in de vijver schoon houden, en bij vorst de vijver open houden. Zomers bij warm weer kan er lekker fris water in de vijver gepomt worden, zodat er minder kans is op ziektes, zoals botulisme. Kleine vijvers kunnen van een vijverpomp met filter worden voorzien en iets grotere vijvers eventueel van een plantenfilter (heliofytenfilter). Als het water schoon is, zullen de watervogels hun verenpakje goed onderhouden. Op de stuit, net voor de staart, zit namelijk een vetklier. Wanneer de vogel hier met zijn snavel op drukt, komt er waterafstotende olie uit. Die vettige stof smeert de watervogel met de snavel en kop bij het poetsen door de veren zodat die water afstoten en altijd droog blijven. Als watervogels enige tijd geen zwemwater ter beschikking hebben, of als het water sterk is vervuild, dan stopt onmiddellijk de werking van deze vetklier. Het verenpak zal nat worden met als gevolg dat de vogels zeer vatbaar worden voor kou.

Rondom en in de vijver:
De beplanting rondom de vijver en in het perk hangt natuurlijk sterk af van de grondsoort, maar er moet beplanting zijn zodat de vogels zich een beetje terug kunnen trekken en in de schaduw kunnen zitten van de struiken, omdat de meeste watervogels niet van felle zon houden. Ook moeten zij beschutting kunnen zoeken tegen koude wind. Struiken waar bessen aan komen zijn niet aan te bevelen, evenals giftige planten en struiken zoals taxus, buxus, vingerhoedskruid  en gouden regen. Gras, onkruiden e.d. zijn natuurlijk tevens een prima bijvoeding voor de vogels.

Schuilplaatsen:
In het perk moeten ook wat afdakjes gemaakt worden, zodat de watervogels er onder kunnen schuilen tegen zwaar weer zoals hagel, ijzel en slagregens.  Als er soorten gehouden worden die niet tegen onze koude winters kunnen dan kan onder dit afdakje ook een warmtelamp worden opgehangen. Is dit het geval dan moet  het afdakje dichtbij het water gemaakt worden. Voor niet winterharde soorten kan bij strenge vorst beter voor een binnenverblijf worden gezorgd.



 

Terug

Bookmark and Share



Eendenvijver© 2010